Kloskant met doorlopende draden

De kantwerkster maakt een kant waarbij men werkt met een aantal klosjes (paren) en eindigt met hetzelfde aantal. Af en toe worden draden bijgevoegd of uitgelegd om tekeningen aan te vullen of om technische moeilijkheden te overwinnen. Hieruit ontstaat meterwerk, maar ook andere vormen kunnen gemaakt worden in veel geval werkt een klosster met grote aantallen klossen, afhankelijk van de breedte van de tekening, 500 klossen is geen uitzondering. In sommige kantsoorten gebruikt de werkster sierdraden, andere zijn zonder sierdraad. Het vervaardigen van die kanten eist veel inzicht en draadgevoeligheid van de werkster.

Beverse kant

De Beverse kant is ontstaan uit de Rijselse kant (tot in de 18de eeuw Vlaamse stad). Onder invloed van de mode en de handelstrafieken onderging de Beverse kant een eigen evolutie. Veel van deze kanten werden geëxporteerd naar Nederland en werden gebruikt in de traditionele klederdracht.

Technische kenmerken:

  • tekeningen verbonden met tulegrond
  • het volwerk is steeds in linnenwerk en afgelijnd met een dikkere sierdraad
  • het volwerk wordt versierd met openingen al dan niet gevuld met kunstslagen, rozengrond, kleine sneeuwvlokken (luizen), en een siergrond gevormd door strakke lijnen verbonden met vierkante kunstslagen (leerkens)
  • de verbindingen van volwerk met tralie liggen steeds buiten de sierdraad

Tekeningen:

  • de tekeningen bestaan uit bloemen, ranken en potten verfraaid met typische pluimen
  • het is een kant met typische rechte rand in linnenslagen en steeds voorzien van omogen

Binche kant

De Binche kant is ontstaan uit de Oud-Vlaamse kant en wordt ook 'toveressenwerk' of 'point de fée' genoemd. Het is een uiterst fijne kantsoort, het vervaardigen ervan eist veel inzicht en ervaring van de kantwerkster. Deze kant vond haar ontstaan in Binche maar werd

Technische kenmerken:

  • gemengd gebruik van verschillende gronden
  • er worden geen sierdraden gebruikt
  • het volwerk wordt in linnenslag of in halve slag uitgevoerd
  • veelvuldig gebruik van vierkante kunstslagen
  • verschillende gronden als vulling: spinnetjes, sneeuwvlokken, vliegjes
  • gebruik van honderden klossen en zeer fijne draad

Tekeningen:

  • ingewikkelde en verfijnde tekeningen met slingers en ranken
  • de tekeningen staan sterk onder invloed van de mode en kenden een evolutie

Mechelse kant

De Mechelse kant is eveneens ontstaan uit de Oud-Vlaamse kant en wordt geheel terecht de 'Queen of laces' genoemd. Deze kantsoort werd op verschillende plaatsen in Vlaanderen gemaakt en eist veel ervaring om tot een verfijnd resultaat te komen vanwege de befaamde ijsgrond die erin voorkomt. Deze grond wordt zonder spelden gemaakt, vandaar de moeilijkheidsgraad van de uitvoering.
Technische kenmerken:

  • gebruik van de typische ijsgrond - uitgevoerd zonder spelden
  • gebruik van sierdraad om het volwerk te benadrukken
  • verschillende siergronden 'klaverblaadjes' in veel verschillende variaties die de rijkdom uitmaken van deze kant
  • gebruik van honderden klossen en zeer fijne draad

Tekeningen:

  • opvallend in deze kantsoort zijn zaaimotiefjes bestaande uit blaadjes en kleine bloemetjes die voor stevigheid moeten zorgen dat de ijsgrond goed kan uitgevoerd worden.
  • Oorspronkelijk vertoonde de kant grote bloemen met weinig ijsgrond tussenin, later kreeg de ijsgrond meer ruimte en kwamen er sierlijke guirlandes met bloemen en blaadjes voor

Vlaanderse kant

De Vlaanderse kant is een verdere evolutie van de Oud-Vlaamse kant. Typisch voor deze kant is de Vlaanderse tralie ook vijfgaatjesgrond genoemd. Veel van deze kanten hebben naargelang de tekening die erin voorkomt een eigen naam gekregen: 't pastershoedje, den aap, d'hoge brugge, het pinnetje, het sluffertje ...

Technische kenmerken:

  • gebruik van de Vlaanderse grond of vijfgaatjesgrond in oude en nieuwere versie
  • het volwerk wordt in linnenslag gemaakt
  • innemen en uitlaten van paren in het volwerk gebeurt volgens vastgelegde normen
  • gebruik van sierdraad om het volwerk te benadrukken
  • het gebruik van siergronden: grote en kleine sneeuwvlokken
  • groot aantal klossen afhankelijk van de breedte van de kant

Tekeningen:

  • kanten met dezelfde typische stijlfiguren
  • regelmatig weerkerende rapporten
  • versieringen ontleend aan de natuur, ranken en dierenfiguren

Turnhoutse kant

Deze kantsoort ontstond in de omgeving van Parijs, maar kende een eigen evolutie in Turnhout vanaf de 18 de eeuw die deze kant zeer herkenbaar maakt. De taal die in deze streek gebruikt werd in deze streek, verschilt sterk van deze in de rest van Vlaanderen.

Technische kenmerken:

  • gebruik van de zeshoekige Parijse grond of traliegevormd door
  • het volwerk wordt in linnenslag of in halve slag gemaakt
  • men maakt veelvuldig gebruik van sierdraad om het volwerk te benadrukken, de sierdraden worden veelvuldig in en uitgelegd en worden verwerkt in het volwerk
  • het gebruik van siergronden binnen de figuren: spinnen, vliegskes, bollen, ...
  • in de 19de eeuw ontwikkelt zich een eigen systeem van inleggen en uitlaten van paren in het volwerk om sneller te kunne werken.
  • groot aantal klossen afhankelijk van de breedte van de kant

Tekeningen:

  • zeer gevarieerde tekeningen
  • regelmatig weerkerende rapporten
  • versieringen ontleend aan de natuur, ranken, dierenfiguren, jachttaferelen, ...
  • in de zogenaamde' 'oorlogskanten' werden verschillende figuren uit wapenschilden en allerlei emblemen gebruikt

Met steun van

Partners